Naga Pencak Silat

 

De Naga Pencak Silat is een aliran (stroming) van de Setia Hati stijl. Pendekar Willy Soplantila is afkomstig uit Malang en leerde Pencak Silat in Lumajang (Oost- Java). In Nederland heeft hij getraind met Pak C. Turpijn, een van de grondleggers van de Setia Hati in Nederland. Pendekar Willy Soplantila heeft de Naga stijl in 1980 geïntroduceerd in Zeeland als een serieuze en gracieuze gevechtskunst, gebaseerd op de vijf dierstijlen. De Naga Pencak Silat is overgedragen aan Andrè, Rennie en Edwin Kleeman. Lessen worden gegeven in Middelburg en Oost- Souburg. Zie agenda voor tijden.

Doordat in de jungle van Indonesië veel wilde dieren leefden, leerden de Indonesiërs zich een zelfverdediging aan die zich onderscheidde van iedere andere vorm van zelfverdediging. Zij begonnen de bewegingen van dieren te imiteren. Technieken werden steeds verder aangepast en geperfectioneerd. In de loop der tijd zijn er een aantal verschillende stijlen ontstaan, die gebaseerd zijn op de beweging en strategie van de dieren.

 

De Naga Pencak Silat is gebaseerd op de karakteristieken van:

 

De Aap ( Monyet)

De aap is bijna niet te vangen, beweegt zowel hoog als laag spel, springt en rolt. Bij naderend gevaar gaat hij dreigen in de aaphouding en zal tegen de tegenstander zowel de voor- als achterpoten gebruiken. Hij probeert de tegenstander te misleiden en in de val te lokken

De Slang (Ular)

In principe doet de slang niemand kwaad, is bescheiden en bezit zelfbeheersing en geduld. Lenigheid, snelheid en kracht zijn kenmerken van de slang. Verwurgingen spelen in deze stijl een grote rol. De handen en voeten bewegen snel en kunnen zich vanuit alle posities bevrijden om vervolgens de tegenstander uit te schakelen

De Tijger (Macan)

De tijger is mooi getekend, maar tegelijkertijd levensgevaarlijk. De schijn is in deze stijl bedrieglijk.
 
 De tijgerstijl gebruikt de handen als klauwen om te zowel te grijpen als te verscheuren. De bewegingen worden zowel hoog als laag uitgevoerd. De tijger beweegt makkelijk en snel over de grond. De tegenstander wordt in een zodanige positie gemanoeuvreerd dat hij in een loodrechte positie aangevallen kan worden. De tijger kan dan grote afstand overbruggen met springen en rollen

De Reiger (BurungKuntul)

Van de reiger leren we balans en evenwicht. Hoge (spring) trappen en het gebruik van de vleugels, die wijd uitgespreid dienen als aanval of verdediging. Bij de toepassing van deze stijl dient de beoefenaar onder alle omstandigheden zijn evenwicht te bewaren en een eventuele tegenstander met 1 arm of 1 been uit te schakelen. De reiger kan staand op 1 poot bliksemsnel met zijn snavel een prooi vangen, zonder uit balans te raken. Kwaadaardige bedoelingen mogen nooit getoond worden

Het Paard (Kuda)

Het paard is een harde werker, is onvermoeibaar en heeft doorzettingsvermogen. In de verdediging gebruikt deze stijl zowel voorwaartse als achterwaartse hoge en lage trappen. Stoten zijn hard en kunnen zowel enkelvoudig als meervoudig worden uitgevoerd.